Posts tonen met het label EDI. Alle posts tonen
Posts tonen met het label EDI. Alle posts tonen

maandag 4 mei 2020

No EDI > no VMI > no business anymore - althans niet voor multibrand fashion retailers en hun merkleveranciers

Multibrand fashion retailers hebben het extra zwaar te verduren door de corona crisis. Hun positie in de fashionmarkt was al niet sterk voor de crisis. Ik voorzie het einde voor de multibrand fashion retailer die niet inzet op EDI met als doel VMI (Vendor Managed Inventory). Zonder VMI is het business model van de multibrand fashion retailer niet langer houdbaar en door deze crisis gaat dat pijnlijk zichtbaar worden. En ja, zoals op elk regel zullen er ook hier uitzonderingen zijn, maar dan moet je van heel goede huize komen.


In mijn blog van vorige maand beschrijf ik het belang van VMI als strategisch keuze voor de samenwerking tussen retailer en brandowner in fashion. EDI is daartoe een randvoorwaarde. Over dat laatste gaan vele van mijn voorafgaande blogs. Het is nog niet te laat, maar zonder EDI en VMI ziet de toekomst van deze retailers er ook na de crisis somber uit en zal de levensvatbaarheid van menig van hen onhoudbaar blijken.

Door de crisis zijn fashion winkels veelal lange tijd gesloten. Online maakt hier en daar wat goed, maar er is sprake van omzetdalingen van 50-90% over meerdere maanden. En dat terwijl de winkels dicht gingen op een moment dat de voorjaarscollectie net geleverd was en dus betaald moest worden. Consequentie: lage cashflow, hoge voorfinancieringskosten, hoge voorraden. Naarmate de verkoop langer uitblijft en het seizoen voortschrijdt, raakt de modische collectie verouderd en neem de waarde van de goederen drastisch af. Zodra de verkoop opstart zal eenieder van zijn te hoge voorraad af willen, hetgeen alleen lukt met forse afprijzingen, met verder margeverlies tot gevolg. Tussentijds dient de inkoop voor volgende seizoenen plaats te vinden, in volle onzekerheid over wat de toekomst ons gaat brengen. Bij de uitlevering van het nieuwe seizoen dient de retailer de goederen te betalen aan de brandowner. Daar gaat het pas echt spaaklopen met de liquiditeit. Vele faillissementen in fashion zullen volgen, naar verwachting met pieken in de maanden september en maart.

"Een sluiting van een maand kost al snel €4 mrd aan omzet en dat bij dunne marges voor de meeste spelers", aldus Dirk Mulder in het artikel van ING (Impact van corona op de non food retail) met als conclusies onder meer:
  • Het gat tussen de winnaars en verliezers in retail zal sterk toenemen.
  • Supply chains zullen anders worden ingericht: risicospreiding wordt belangrijker.
  • Bestaande business modellen worden sterk onder de loep genomen.
Velen vertrouwen op een wettelijk verbod op uitverkoop; het effect van zo'n verbod is echter hoogst onzeker, getuige het artikel van ABN AMRO d.d. 18 april (Verbod op uitverkoop niet effectief). Daarin onder meer: "Het voorstel van een tijdelijk verbod op uitverkoop lijkt dus sympathiek, maar het is lang niet zeker dat het effectief zal zijn. Omzeiling van het verbod, al dan niet vanuit het buitenland, en het niet kunnen aanpassen van de prijzen aan de slechte conjunctuur van het moment, lijkt beter uitverkoop gewoon toe staan met als doel om voorraden snel liquide te kunnen maken, in plaats van te pogen marge te behouden op voorraden die uiteindelijk helemaal niet worden verkocht."

De multibrand retailers worden veel harder getroffen dan brandowners en verticals. De oorzaken daarvan zijn de hogere kostprijs (inkopen bij brandowners) en de geringe flexibiliteit in de supply chain (vroegtijdig orders vastleggen met dwingende betalingstermijnen, voor vooraf vastgestelde winkelvloeren). De verticals hebben een veel lagere kostprijs (minder schakels in de keten), waardoor de afprijzingen minder heftig op het bedrijfsresultaat drukken. De toeleveranciers van de verticals zijn in grote mate afhankelijk van hen en daardoor beter kneedbaar. De vertical fungeert als ketenregisseur en kan daarmee het volume van de goederenstroom naar de winkelpunten zelf afremmen. De multibrand retailer heeft zich maanden voor levering al moeten vastleggen bij de brandowner en kan dat proces niet meer afremmen, althans daartoe is hij volledig afhankelijk van die brandowner.

Fastfashion verticals, maar ook veel Europese brandowners verschuiven hun risico's opwaarts in de keten. De problemen die zich daardoor in productielanden als India, Bangladesh en Myanmar opstapelen zijn ongekend schrijnend (artikel in NRC van 24 april: Miljoenen textielarbeiders in Azië dreigen hun baan te verliezen nu grote modeketens hun bestellingen massaal annuleren. "Al die praatjes van kledingmerken over ‘best practices’ zijn flinterdun gebleken.”). Door het verschuiven van die risico's ten kosten van de textielarbeiders ver weg, kunnen deze Europese fashionspelers hun eigen leed beperken, hetgeen tot een ongelijke concurrentiepositie ten opzichte van de multibrand fashion retailer leidt. Deze laatste kan qua margestructuur bij lange na niet op tegen de stuntprijzen van degene die de producenten uitknijpen.  

De schakels in de fashionketen zijn nauw met elkaar verbonden. Zo ook de financieringsmodellen in de opeenvolgende schakels van die keten en de risico's op de voorraden. Het is een systeem van radartjes die in de afgelopen decennia een wankel evenwicht hebben gevonden. Door de wereldwijde verstoring als gevolg van deze corona crisis komt er zand in meerdere radartjes tegelijkertijd, waardoor het hele systeem vastloopt. Dat de fashionketen moest gaan veranderen stond al langer vast (fair trade en duurzaamheid), maar door de corona crisis worden de problemen pijnlijk zichtbaar. Uiteindelijk kan een keten alleen gezond functioneren als de verschillende schakels in de keten op een respectvolle manier met elkaar samenwerken. Daar ligt nu ook de uitdaging!

VMI als businessmodel betekent dat de retailer een keuze maakt voor een beperkte groep brandowners (in deze crisistijd leer je de juiste wel kennen) met wie je per seizoen een commitment aangaat en aan wie je de sturing van de collectie in dat seizoen overlaat; pre priced en shop floor ready. Je mag daarbij van de brandowner verwachten dat hij, op basis van gestructureerde, dagelijks data via EDI, het juiste product op het juiste moment en voor de juiste prijs aanlevert bij de shopfloor. Maar ook dat hij 'dode handel' terughaalt vanaf de shopfloor. Meer daarover in mijn blog van vorige maand.

Merkleveranciers die niet goed mee kunnen schakelen in het VMI-model, zullen hun retailpartners zien overstappen naar de merken die al wel het VMI-model ondersteunen of ze geheel zien verdwijnen vanwege faillissementen als gevolg van de bij die retailers ontstane liquiditeitstekorten. De brandowners hadden overigens ook al te kampen met een lastig financieringsmodel: hun leveranciers willen voornamelijk vooraf betaald krijgen (aan de kade) en hun multibrand afnemers doen er gemiddeld 50 à 60 betaaldagen over om hun facturen te betalen. Daar zat dus al 3 maanden tussen en dat wordt als gevolg van de corona crisis alleen maar slechter. Bovendien worden door retailers ook orders vanwege corona geannuleerd en of afgeschaald bij brandowners. Per saldo voldoende uitdagingen voor de brandowners en hun multibrand retailers met betrekking tot hun gezamenlijk belang. Niet voor niets hebben succesvolle merken als YAYA, PME, Profuomo, OPUS en Tommy Hilfiger het VMI-model als strategisch bestempeld voor een succesvolle samenwerking met de multibrand retailpartners.
    
Een randvoorwaarde voor zowel brandowner als multibrand retailer voor deze vorm van samenwerking met een meer gespreid risico en meer flexibiliteit in de keten is een dagelijks, gestructureerde en dus geautomatiseerde data-uitwisseling, machine-to-machine, in beide richtingen (EDI derhalve). 

Neem gerust contact op over de invoering van EDI en/of VMI en gebruik de tijd nu om straks versterkt gas te kunnen geven vanuit een meer uitgebalanceerd model. Ook verneem ik graag wie prijs stelt op een webinar over de hier behandelde uitdagingen en aanverwante issues.    






maandag 23 maart 2020

Samenwerkingsstrategieën met multibrand fashion retailers – tijdens en na de crisis

aMSTERDAM, 23 MAART 2020

Meld u nu aan voor een digitale EDI & VMI-in-fashion-workshop, teneinde straks versterkt uit de crisis te kunnen komen.

We leven in de bizarre tijden van het oprukkende Covid-19 virus. Met algehele winkelsluitingen in steeds meer landen hetgeen hier nu op individueel retailer niveau ook al navolging krijgt. Met mediakoppen voor nonfood retail als: ‘Volledig seizoen valt weg’ en ‘Coronavirus kost de luxesector tot 40 miljard euro in 2020’. Ieders gezondheid gaat natuurlijk boven alles, maar bedrijfsmatig is het ook zeer zorgelijk. Hoe lang deze crisis gaat duren is moeilijk te voorspellen. We dienen er echter rekening mee te houden dat de realiteit na de crisis niet meer hetzelfde is als daarvoor. Alleen vertrouwen op het tijdelijk vangnet van de overheid biedt geen structurele oplossing. We moeten deze tijd als bezinning gebruiken. Bezinning op wat we deden, hoe we nu met de ontstane situatie omgaan en hoe we straks verder willen, ofwel hoe we ons aan gaan passen. Dit blog gaat over de voorziene samenwerking tussen multibrand fashionretailers en hun toeleveranciers (fashionmerken) in die context.

Moderetail ziet zwarte sneeuw: ‘Volledig seizoen valt weg’. De modesector is een van de hardst getroffen sectoren door de coronacrisis, zo berekende Moody’s. In de kledingwinkels blijft de lentecollectie achter gesloten deuren hangen, terwijl leveringen niet doorgaan en/of er geen geld is voor de najaarsbestellingen, aldus een artikel van 20 maart op www.retaildetail.nl. Ronduit heftig.

Personal shopping sessies, flinke afprijzingen en creatieve acties kunnen op korte termijn wellicht nog ‘wat geld in het laatje brengen’, maar we moeten ook voorsorteren op de nieuwe realiteit na de crisis: minder fysiek contact, minder reizen, minder beurzen, meer digitaal. Winkels zullen nooit verdwijnen; de manier van samenwerking tussen winkels en hun leveranciers kan bij de meesten echter nog veel beter georganiseerd worden. Deze boodschap is niet nieuw. Lees de eerste blog van deze serie (oktober 2012) er nog maar eens op na: http://fashionedi.blogspot.com/2012/10/de-cirkel-is-rond-edi-is-noodzaak-proven.html. In de afgelopen jaren hebben de nodige merken deze nieuwe manier van samenwerken geïmplementeerd. Succesvolle merken in deze zijn: PME, OPUS, YAYA, NZA, Profuomo, Garcia, StreetOne, State of Art en de merken van Bestseller om er enkele te noemen. Steeds meer retailers hebben dat ervaren als zeer prettig (ontzorgen) en lucratief (beter rendement). Klinkende voorbeelden daarvan zijn Berden en Van Tilburg Mode & Sport, maar ook zo vele kleine retailers met een winkel op de hoek
afbeelding van het traditioneel orderproces

Wat is nou de crux van de hier bedoelde VMI-samenwerkingsstrategie (Vendor Managed Inventory)?
De belangrijkste karakteristiek van dit model is dat de leverancier als ketenregisseur gaat optreden; niet alleen wat de basics betreft, maar ook de seizoenartikelen. Op basis van gestructureerde, automatisch verstrekte voorraad- en salesdata op detailniveau (artikel/kleur/maat per shopfloor per dag), leert de leverancier de trends en patronen van de doorverkoop per shopfloor van zijn retailpartners te herkennen. Door die data te aggregeren op hogere levels (winkelketen, regio, land, style, productgroep) en te combineren met de beschikbaarheid van producten per artikel/kleur/maat, wordt de leverancier in staat gesteld om het aanbod op de shopfloor van zijn klant beter af te stemmen op de behoefte van de consument in die winkel. De leverancier kan daarbij putten uit verschillende bronnen, zoals vrije voorraad, voorraad in de pijplijn, voorraad in zijn monobrand stores, voorraden in zijn online kanaal en vermeende overtollige voorraden bij andere retail klanten. Daardoor kan de omloopsnelheid omhoog en kunnen de afprijzingen omlaag met een beter rendement voor beiden als gevolg, met ook nog eens een betere beschikbaarheid voor de consument. Win-win-win derhalve. 

Randvoorwaarden voor VMI
De belangrijkste randvoorwaarde voor een VMI-strategie is onderling vertrouwen. Als de leverancier de shopfloor van zijn VMI-partner volpropt met willekeurige restvoorraden, dan zal het resultaat op de winkelvloer slecht uitpakken en zal de betreffende retailer het model niet willen continueren in volgende seizoenen. Zonder gestructureerde en geautomatiseerde data-uitwisseling (EDI) gaat het model zeker ook niet werken. De leverancier heeft tools nodig om het VMI-model aan te kunnen sturen; een traditioneel wholesale systeem is nou eenmaal niet geschikt voor het managen van retaildata. Verder heeft de leverancier retail know-how (of beter: retailbloed) in huis nodig om goed als ketenregisseur te kunnen fungeren. Last but not least dient de leverancier vertrouwen in zijn eigen collectie te hebben en de bereidheid te tonen om slechtlopende artikelen terug te nemen. De kostprijs van de retailer is nu eenmaal vele malen hoger dan de kostprijs van de leverancier. Ketendenken en ketenefficiency roept om de pijn daar te laten vallen, waar de kostprijs het laagst is. De VMI-leverancier doet er goed aan om voor de slechtlopende artikelen een alternatief kanaal op te zetten, bijvoorbeeld in de vorm van een fysieke outletstore of een online afzetkanaal in een andere geografische markt, zodat het reguliere kanaal daardoor niet verstoord wordt.

Naar mate de leverancier de individuele shopfloors van haar VMI-retailpartners beter leert kennen op basis van ook statistische cijfers en trends, werkt het model niet alleen voor replenishment tijdens het seizoen, maar kan het VMI-model ook bij het voororderproces van nieuwe collecties haar dienst bewijzen. Het combineren van de data en trends vanaf de winkelvloer met kennis van de nieuwe collectie en de juiste tools, biedt de leverancier een uitgekiende mogelijkheid om een inslagvoorstel van de nieuwe collectie op artikel/kleur/maat-niveau per shopfloor te maken. De noodzaak voor de retailer om elke leverancier te bezoeken en daarbij elke collectie tot in detail op shopfloor level te schrijven, wordt minder naarmate de leverancier per einde seizoen kan aantonen dat hij, als ketenregisseur, daadwerkelijk een hoger rendement op die shopfloor heeft gerealiseerd.

Alternatieven
Varianten die bij VMI in de buurt komen zij Consignatie, Automated Ordering en Automated Replenishment. In tegenstelling tot Consignatie krijgt de leverancier bij VMI betaald voor wat hij levert. Consignatie is geen win-win model, maar een eenzijdig risicomodel voor de leverancier. Automated Ordering is het model waarbij de retailer op basis van min/max instellingen per SKU van never out of stock artikelen automatisch bestellingen plaatst bij de leverancier. Automated Replenishment is hetzelfde, maar dan geïnitieerd vanuit het systeem van de leverancier. Het nadeel van deze modellen ten opzichte van VMI is dat ze niet goed toepasbaar zijn voor de collectie goederen.

Tijdens en na de crisis
Een VMI strategie is in mijn ogen de beste strategie voor een gezondere toekomst van de relatie tussen multibrand retailer en fashionleverancier. Ketens (verbindingen tussen merken en retailers) die goed VMI toepassen gaan het onherroepelijk winnen van degene die op de traditionele weg blijven voortborduren. VMI als strategie vergt echter nogal wat van een organisatie: visie, bemensing, implementatie van systemen en procedures en het opzetten van een gestructureerde data uitwisseling. Dat vergt een investering in kennis, tijd en geld. Wellicht biedt deze crisistijd u gelegenheid om alvast in kennis te investeren. Wij van FashionUnited eBusiness begrijpen dat deze verhandeling een nogal technische verhaal is en gaan graag met u in gesprek om in te zoomen op de mogelijkheden en kansen voor uw organisatie. Gedurende de crisis zijn wij u daarbij graag van dienst met 50% korting op een VMI-workshop op afstand, maar wel interactief met u en uw mensen en met een fikse korting op de implementatie van EDI. Maak uw interesse hier kenbaar en we bespreken de mogelijkheden met u. Zodoende kan u wat dit betreft sterker uit de crisis komen, waardoor het herstel van de geleden schade eerder goedgemaakt kan worden en waardoor u bovenal op een structureel meer uitgebalanceerde manier kan gaan samenwerken met uw handelspartners.  

Veel sterkte en wijsheid in deze bijzondere tijden, maar bovenal een goede gezondheid!

woensdag 19 oktober 2016

Rondetafelmeeting (1) Ketenoptimalisatie middels EDI

Op 18 oktober 2016 heeft bij FashionUnited eBusiness B.V. te Almere de eerste rondetafelmeeting plaatsgevonden met retailers en leveranciers in fashion. Koplopers uit de markt waren aanwezig en hielden een pleidooi voor een tweede rondetafelmeeting Ketenoptimalisatie middels EDI (gepland voor januari 2017).
















Aanwezig waren (allen op persoonlijke uitnodiging):

Leveranciers:

  • Arjan Maat, International District Manager Simplicity GmbH (OPUS and Someday).
  • Guido Verhagen, CIO van Micro Fashion (Profuomo en Michaelis), tevens lid van de GS1 Business council mode en de Tactical group mode. 
  • Harry van der Zee, CEO van Van Gils Fashion, tevens lid van de GS1 Business council mode.
  • Mark Maters, CFO van Van Gils Fashion.
  • Sander Bakkers, Project Manager bij Dobotex International / PUMA AG group, tevens lid van de GS1 Business council mode.

Retailers:
  • Bert Oosterom, logistiek manager bij Only for Men 
  • Arjan in 't Veld, logistiek manager bij Voorwinden
  • Henri van den Broek, E-Commerce manager van Sport 2000 /ANWR-Garant Nederland, tevens Lid Expertgroep "Store Innovation ROI" at Shopping Tomorrow


We hebben van half vier tot een uur of zeven informeel gesproken over verschillende onderwerpen inzake ketenoptimalisatie. Met name Vendor Managed Inventory, omni channel modellen, longtail RFID, pre priced uitlevering, cross dock, nut en noodzaak van een global product data pool, omprijzen versus afprijzen en replenishment kregen aandacht. 


Conclusie
Geconcludeerd werd dat de fashionmarkt structurele veranderingen versneld door moet voeren waarbij VMI middels EDI de meest veelbelovende weg lijkt, dat de rol van ICT in te veel gevallen nog onderbelicht is en dat het zeer zinvol is om best practices met bevlogen retailers en leveranciers samen te bespreken. Vandaar het verzoek voor een vervolg rondetafelmeeting over Ketenoptimalisatie. 

De meeting was op initiatief van en werd voorgezeten door Steven Witteveen van FashionUnited eBusiness B.V., mede ingegeven door verzoeken van retailers en leveranciers. 

Bent u ook een bevlogen retailer of leverancier in fashion die ketenoptimalisatie middels EDI hoog in het vaandel heeft staan, neem dan gerust contact op met Steven Witteveen. Wellicht kunt ook u dan een bijdrage leveren aan de volgende rondetafelmeeting.


zondag 27 januari 2013

PRICAT: het meest belangrijke EDI bericht in fashion

De PRIceCATalog is het verbindende bericht voor alle EDI berichten in de elektronische samenwerking tussen brandowner en retailer in fashion. De PRICAT fungeert daarmee als onmisbare basis voor het efficiënt en effectief kunnen inrichten van de business modellen voor-order, na-order, vendor managed inventory (VMI), concession en conseignment. Deze keer een (overigens niet technische) verhandeling over het belang het PRICAT bericht, in een reeks over de meest toegepaste EDI berichten in fashion.

Als het PRICAT bericht niet van meet af aan wordt ingezet door brandowner en retailer, dan mag de brandowner ook niet verwachten dat hij een nauwkeurige, correcte, identificeerbare en geautomatiseerde rapportage vanaf de winkelvloer ontvangt. Het PRICAT bericht vormt daarmee de basis voor ketensamenwerking.
De primaire functie van het PRICAT bericht is: het overbrengen van gedetailleerde product- inclusief prijsinformatie van het ERP systeem van de brandowner naar het ERP systeem (en de kassa) van de retailer of naar tussenliggende schakels in de keten (vervoerder, LSP, groothandel, importeur, franchisegever, RSO). De brandowner dient elk nieuw artikel, maar ook elk gewijzigd artikel (prijs, kenmerk, verpakkingseenheid) in een PRICAT-bericht kenbaar te maken. De EAN artikel code is daarin de unieke sleutel. De officiele benaming daarvan is GTIN: Global Trade Indentification Number welke uit 13 of 14 posities bestaat en wereldwijd uniek is. De GTIN wordt door de brandowner toegekend aan elk artikel op het niveau: artikel/kleur/maat. Op de fysieke producten staat de 13-cijferige artikelcode tevens afgebeeld als EAN-13 barcode, waarmee dit product geïdentificeerd kan worden in de gehele supply chain, nog belangrijker: ingescand kan worden aan de kassa van de retailer.

Het aantal artikelgegevens in fashion stijgt nog steeds explosief en veel heftiger dan bij bijvoorbeeld supermarkten. Dit heeft een aantal oorzaken:
> De assortimenten worden steeds groter en er komen steeds meer merken bij (niche marketing).
> Een fashionartikel wordt in tot wel 4 dimensies vastgelegd ter identificatie (model x kleur x maat x submaat) waarmee het aantal SKU's (stock keeping units) exponentieel toeneemt. Op de kassa en in de webshop dienen al die afzonderlijke variaties automatisch en foutloos herkend te worden.
> De life cycle van fashion producten is veel korter dan voorheen. De merken leveren een modisch product traditioneel al niet langer dan een seizoen (half jaar) maar onder aanvoering van de verticals als Zara, komen er inmiddels 4, 6 of zelfs 12 collecties per jaar uit (fast fashion), waarmee het aantal unieke EAN-artikelnummers explosief toeneemt.
> Het aantal gegevens dat per artikel geregistreerd wordt neemt toe. Vijftig velden per product is geen uitzondering; dit verschilt echter per retailer en per brandowner. Het gaat tenslotte niet alleen om herkenning, maar ook om het efficiënter maken van de achterliggende administratieve verwerking (order, levering, factuur en steeds belangrijker: de terugkoppeling van de detailontwikkelingen op de winkelvloer).
> De standaardisatie-eisen nemen toe, omdat producten ook op de specificaties vergeleken moeten kunnen worden in productvergelijkers (websites) per productcategorie.
> Aangezien in veel indirecte verkoopkanalen de marges zwaar onder druk staan, neemt ook de behoefte aan kostenefficiëntie en standaardisatie van catalogusuitwisselingsformaten toe.
Alle gegevens van alle artikelvarianten, die steeds weer wisselen, moeten door de hele supply chain gecommuniceerd worden. Omdat het aantal gegevens zo groot is, is een fout snel gemaakt. Fouten in deze communicatie kosten relatief veel geld en ergernis (aan de kassa). Daarom wordt steeds meer gekozen voor het elektronisch communiceren, bijvoorbeeld met behulp van het PRICAT-bericht dat binnen de EDI-standaard (EANCOM) gedefinieerd wordt. In de Europese fashionmarkt wordt PRICAT al goed toegepast voor bovenkleding, bodyfashion, sportswear, sportschoenen en sportartikelen en inmiddels ook steeds meer voor gewone schoenen. Product Data Management (PDM) kan middels de inzet van het PRICAT bericht veel efficiënter en nauwkeuriger plaatsvinden dan handmatig. Degenen die daar nu nog geen gebruik van maken kunnen dienen zich achter de oren te krabben. Uitstellen betekent in dit geval langer aanmodderen met uiteindelijk hogere kosten.

Zoals gezegd vormt het PRICAT bericht het verbindende bericht van alle andere EDI berichten. In die andere berichten (orders, pakbonnen en doorverkoopcijfers bijvoorbeeld) worden de identificatie van het artikel beperkt tot de EAN-artikelcode. De style, kleur, maat en seizoenscode komen daar niet meer in voor, maar zijn slechts te herleiden door de link van de EAN artikelcode naar het bijbehorende PRICAT informatie. Dat is nu eenmaal zo bepaald in de EANCOM standaard. In het blog van 2 oktober 2012 is het belang van EDI en de flow van de EDI berichten in fashion aangetoond en nader uiteengezet. De 11 winstpunten van EDI in fashion zijn hier na te lezen.

De PRICAT bevat alle statische stamdata die tot een artikel behoren. Dat is niet alleen beperkt tot de adviesverkoopprijs en de identificatie van het artikel (EAN artikelcode, artikelnummer, kleur, maat plus eventuele submaat), maar bevat ook de artikelomschrijving, de kleuromschrijving, de leveranciersartikelgroep, de seizoensaanduiding, de materiaalaanduiding en dergelijke. Dat zijn met name leverancier specifieke kenmerken. Bij voorkeur zijn daarnaast ook branche-aanduidingen toegevoegd in de PRICAT. De belangrijkste daarvan is de branche-codering voor artikelgroepen. Wel zo handig voor de geautomatiseerde herkenning en verwerking aan de kant van de ontvangende retailer. Er zijn verschillende standaardcoderingen voor artikelgroepen in omloop. De belangrijkste daarvan is de DTB-codering voor kleding en de FEDAS-codering voor sport. In de schoenenmarkt wordt nogal een s gebruik gemaakt van de EAS-codering.

De opbouw van de PRICAT kent grofweg drie varianten: een PRICAT met alle varianten van een nieuwe collectie (de assortiments PRICAT; ook wel full PRICAT genoemd), een PRICAT met alle varianten die door de retailer besteld zijn in een voor-order traject (de order gerelateerde PRICAT) en een PRICAT met alle varianten die gepicked en gepacked zijn voor uitlevering (de pakbon gerelateerde PRICAT). Van belang is te realiseren dat een PRICAT geen aantallen bevat. De georderde aantallen zijn terug te vinden in het ORDRPS-bericht en de te verzenden aantallen zijn terug te vinden in het DESADV-bericht. Daarover in een later blog meer.
Een goede verwerking van de PRICAT aan de kant van de retailer is cruciaal voor het terug kunnen verwachten van juiste informatie over hetgeen er op de winkelvloer van de businesspartner plaats vindt. Een correcte, tijdige en volledige aanlevering van de PRICAT is daarmee randvoorwaardelijk voor het opbouwen en uitbouwen van een effectieve ketensamenwerking tussen brandowner en retailer.

Produkt en prijsinformatie wordt in plaats van via een EDIFACT bericht ook wel uitgewisseld via een Excel-bestand, een CSV-bestand, een XML-file of als een PDF-bestand. Het nadeel van de EDIFACT variant is dat die door het menselijk ook nauwelijks gelezen en begrepen kan worden, maar daar staat tegenover dat dit de enige variant is die one-to-many + handsfree + geautomatiseerd door de ontvangende partners ingelezen en verwerkt kan worden. De PDF-variant ziet er mooi uit, maar moet handmatig overgetikt worden; de Excel-variant lijkt handig maar is onoverzichtelijk bij grote betanden en foutgevoelig vanwege de menselijke tussenkomst; de CSV en XML varianten zijn flexibeler, maar minder eenduidig gedefinieerd.

Voorbeeld uit de dagelijkse praktijk: de vele leveranciers die een concession business bij V&D zijn aangegaan, moeten het EDIFACT PRICAT bericht aanleveren en vullen daarmee de kassa's inclusief de prijswijzigingen tijden het Prijzen Circus. De barcodes op de artikelen van die leveranciers kunnen zodoende op elke V&D kassa ingescand worden, waarna de prijs uit het PRICAT-bericht op de kassa verschijnt. Die leveranciers krijgen dagelijks een EDIFACT SLSRPT vanuit elk filiaal, met de gerealiseerd verkoopprijs per EAN-artikelcode. Op basis daarvan vindt vervolgens de financiële afrekening plaats tussen V&D en de betreffende leverancier. FashionUnited Indicia faciliteert dit soort processen voor vele partijen. Vraag gerust naar de randvoorwaarden.

Al met al de moeite waard om veel aandacht te schenken aan een goede opbouw en verwerking van het EDI-PRICAT-bericht; ook in geval van het traditionle voor-order en na-order businessmodel. Daarvan pluk je verderop in het proces grote voordelen.

zondag 2 december 2012

Lost sales en afprijzingen in relatie tot ketensamenwerking en EDI

20% lost sales en 15% mark downs per jaar te veel. Voor de modebranche in Nederland komt dat neer op een gederfde omzet van 3 miljard euro aan lost sales plus 2 miljard euro aan onnodige afprijzingen. En dat omdat retailer en brandowner nog niet goed samenwerken in de keten. Hiermee laten we een omzet van 5 miljard op een potentieel van 20 miljard euro onbenut. Aldus de schrikbarende conclusie uit het 'Fashion Mirror' onderzoek van IG&H van deze zomer.


Nog veel te vaak zien we dat merken en retailers hoofdzakelijk voor zichzelf werken en daardoor niet in staat zijn de vloerproductiviteit gezamenlijk te verhogen. Het beter samenwerken in de eigen waardeketen biedt enorm omzetpotentieel voor de partijen die de kansen zullen grijpen.

'Samenwerking multibrand retailer en merk nodig' kopt RetailNews op 23 november 2012. Volgens dat artikel hebben de winkels het momenteel moeilijk doordat hun oude businessmodel niet meer aansluit op de huidige tijd. De kracht van de multibrand winkel was altijd dat er verschillende merken vergeleken konden worden, stelt het onderzoek. Maar het oriëntatieproces van de klant is naar online verschoven doordat daar een breder assortiment en grotere voorraad wordt aangeboden. Brand owners moeten de retailer helpen ook de groeiende groep cross channel kopers te kunnen blijven bedienen.

Een mooi voorbeeld van innovatie in de keten vormen de iPad-zuilen die merken als PME en State of Art aan retailers als bijvoorbeeld Van Westen en Bastiaansen Modestad beschikbaar stellen. Als een artikel in een bepaalde kleur en (lengte)maat niet op voorraad is kan via deze zuilen in de winkel, de barcode ingescand worden en toont de App direct de beschikbare voorraad bij de leverancier. De consument kan ter plekke de deal sluiten, afrekenen aan de kassa en het artikel naar keuze afhalen in de winkel of gratis thuisbezorgd krijgen. De fullfilment geschiedt geheel door het merk, met rechtstreekse verzending naar de consument, maar wel met gebruikmaking van het logo van de multibrand retailer. Hiermee wordt heel direct lost sales voorkomen en dus extra omzet en marge voor zowel retailer als leverancier gerealiseerd. Ketensamenwerken pur sang.

Ander voorbeeld: door het instellen van een minimum en maximum voorraadbehoefte op artikel, kleur, maat-niveau, kan lost sales van standaardartikelen gereduceerd worden. Het systeem genereert dan automatisch nabestel-orders via EDI. De retailer kan het niet vergeten en de leverancier hoeft de order niet meer in te voeren.

Het in de whitepaper Change in Fashion besproken Vendor Managed Inventory (VMI) model biedt een manier waarmee de brandowner mee kan sturen op de winkelvloer van de multibrand retailer. Via EDI heeft hij inzicht op de ontwikkelingen op de winkelvloer en stuurt het merk de merchandise aan, waardoor hij de levering af kan stemmen op het feitelijk consumentengedrag en daarmee lost sales, maar vooral de afprijzingen terug kan dringen. Mooie voorbeelden hiervan zijn onder meer Garcia, Frans Muller, Opus, YaYa en Sinner.

Het oude proces van 100% voororderen is niet toekomstbestendig. Het roer moet om. Ketensamenwerking middels EDI is noodzaak. Om echt samen te kunnen werken moet je als merk en retailer een gezamenlijk belang creëren en informatie delen. Daartoe moet je dezelfde taal spreken en de datastromen aan elkaar koppelen. Het gestructureerd verwerken en analyseren van doorverkoopcijfers is daarbij key. EDI (Electronic Data Interchange) is benodigd om die data met meerdere partners in de keten, gestructureerd en automatisch uit te kunnen wisselen.

Laten we het als branche gewoon gebeuren dat er jaarlijks 5 miljard euro aan gederfde omzet wegvloeit of gaan we nu echt gestructureerd samenwerken? Gelukkig zijn er al vele mooie bedrijven (waaronder genoemde klanten) die een voorbeeldfunctie vervullen.

zaterdag 17 november 2012

Zo krijgen brandowners beter grip op externe winkelvloeren

Zoals in eerdere blogs al aangetoond, is EDI inmiddels een niet meer weg te denken methode voor de 'frontrunners' in de fashionketen. Er zijn echter nog vele uitdagingen te gaan. Zo doen nog lang niet alle partijen mee en bestaat er nog veel onduidelijkheid en spraakverwarring. Vandaar ook deze fashionEDI blogs.

Het invoeren van EDI aan de kant van brandowners heeft een offensieve dan wel een defensieve achtergrond. Als het gebeurt onder druk van een retailer, dan is dat defensief oftewel reactief. Steeds meer brandowners zien echter de noodzaak van hun betrokkenheid op de externe winkelvloeren en willen daarom proactief doorverkoopcijfers vanaf de winkelvloeren van hun key accounts binnenhalen. Meten is weten. Analyseren is nodig en actief meesturen op de winkelvloer teneinde een hogere omloopsnelheid en een betere win-win positie te behalen is het uiteindelijke doel (whitepaper Change in Fashion).

Veel brandowners die inmiddels via EDI dagelijks sales reports (SLSRPT) van winkelvloeren binnenkrijgen zijn echter nog niet in staat om die data te vertalen naar goede sturingsinformatie. Hun ERP systemen zijn wholesale systemen en niet geschikt voor analyse van retaildata. BI-tools en Excel verwerkingen werken op den duur niet vanwege de hoeveelheid data (1 bericht per winkelvloer per dag) en het gebrek een retail know-how. In dit blog schets ik een methode die in de praktijk van brandowners beproefd is en relatief goedkoop is, doordat de methode gebaseerd is op standaard 'in the cloud'-tools.

De brandowner creëert per winkelvloer die hij wil monitoren een virtuele shopfloor in een retail management systeem (RMS) zoals bijvoorbeeld StoreInfo van SRS. Dit is een voorbeeld van een RMS dat 'in the cloud' draait, standaard is, geen installatie ter plekke behoeft en de hier genoemde EDI berichten standaard en automatisch kan verwerken. In dit systeem hoeft geen data ingevoerd te worden, aangezien alle transacties automatisch via EDI verwerkt worden. StoreInfo biedt de brandowner een actuele view op de externe winkelvloeren. Inclusief de KPI's als omloopsnelheden en rendementen per vierkante meter. Ook andere RMS-en zijn echter mogelijk.
Zodra de brandowner goederen levert aan een winkelvloer, dan verzendt de brandowner vanuit zijn ERP systeem een elektronische pakbon (DESADV) met de aantallen per EAN-code naar de retailer. De retailer heeft eerder al de price catalog (PRICAT) verwerkt met de prijzen per EAN-code. De eBiss (het EDI tool van de brandowner) maakt een kopie van elke DESADV en sluist die door naar StoreInfo als voorraadophoging van de betreffende virtuele winkelvloer. Zodra producten op die winkelvloer verkocht zijn, stuurt de retailer een SLSRPT naar de brandowner. Dat bericht wordt door eBiss doorgesluisd als omzet en dus als afboeking van de voorraad van de betreffende virtuele winkelvloer in StoreInfo. Alles op SKU niveau (artikel, kleur, maat). Zodra de retailer een fysieke inventarisatie heeft gedaan en deze kenbaar maakt middels een inventory report (INVRPT) aan de brandwoner, dan sluist eBiss ook dat bericht door naar StoreInfo als overschrijving van de actuele voorraad per EAN-code van de betreffende virtuele winkelvloer.
Zodoende heeft de brandowner in zijn StoreInfo systeem te allen tijde een actueel en gedetailleerd inzicht in de voorraadmutaties en KPI's per virtuele winkelvloer. En dat zonder manuele invoer.

Voor de NOOS artikelen kan in StoreInfo per EAN-code een min/max voorraad worden ingesteld (per artikel, kleur, maat) voor elke virtuele winkelvloer. StoreInfo kan zo ingesteld worden dat er per week automatisch een order per winkelvloer gegenereerd wordt met de aantallen per EAN-code, welke order als EDI bericht (ORDERS) via eGate en eBiss automatisch in het ERP systeem van de brandowner terecht komt. Handsfree replenishment leidt tot verhoging van de omloopsnelheid (sneller, minder fouten, niet afhankelijk van een persoon die toevallig ziek of op vakantie is).

Waar een traditioneel retail management systeem de retailer een overzicht biedt over alle merken in zijn winkels, biedt de hier geschetste methode de brandowner een overzicht van zijn verkopen en voorraden op de winkelvloeren van zijn klanten die op EDI zijn aangesloten. En dat zonder enig handmatig werk.

Niet makkelijk om dit zo 1-2-3 voor al je klanten op te zetten, maar wel een extra motivatie om serieus in te zetten op EDI. Uiteinelijk zal je als brandowner toch beter grip moeten krijgen op je externe winkelvloeren en daar ook in mee willen denken en in mee willen sturen. De tijd dat 100% van het risico bij de retailer hoort te liggen is namelijk voorbij.

Veel succes met het zoeken naar de juiste win-win modellen middels ketensamenwerking. EDI is daarbij niet meer dan een technische randvoorwaarde. Inzet van de juiste tools en de juiste flow van berichten maken de risico's goed beheersbaar.

donderdag 1 november 2012

Nieuwe, spraakmakende shop-in-shop concepten bieden nieuwe kansen

Al tien jaar roepen we dat de fashionmarkt moet veranderen. Pas in deze crisistijd zien we dat de bereidheid (of lees de noodzaak) tot verandering ook daadwerkelijk gestalte begint te krijgen. In dit blog geef ik drie voorbeelden van fashion retailers met spraakmakende shop-in-shop concepten die nu in voorbereiding zijn en komend voorjaar hun deuren zullen (her)openen.

Voorbeeld 1: Mannenmodeketen Only for Men (8 winkels in Noord Brabant en Gelderland) opent in het voorjaar van 2013 een 1.300 vierkante meter grote winkel in de voormalige exercitieloods van Doesburg (zie foto); de grootste winkel van Only for Men tot nu toe. Een ander concept ook: mannenmodemerken met elk een shop-in-shop. Kenmerkend daarvoor: een nauw samenspel tussen merk en retailer met gedeelde risico's en gedeelde belangen. Streven naar win-win voor beiden. Met de leveranciers zijn afspraken gemaakt om dit project voor beide kanten zo snel mogelijk rendabel te maken. 

Voorbeeld 2: SKM te Aartselaar, de grootste merkenmodezaak van België, is een gerenommeerde kledingwinkel van meer dan 5.000 m2 groot, waar de kleding als vanouds per productcategorie gepreenteerd wordt (jassen bij jassen, broeken bij broeken). Afdeling na afdeling wordt momenteel omgebouwd tot shop-in-shops per merk. Ook hier een combinatie van conseignment en VMI. SKM ondergaat een metamorfose en is vanaf februari 2013 een geheel andere beleveniswereld, waar merken en retailer intensief samenwerken aan een gezamenlijk rendement.

Voorbeeld 3: Brova bouwt enkele Duthler vestigingen om naar HoutBrox, wederom volgens het shop-in-shop principe. Momenteel vinden de gesprekken plaats tussen Brova en merkleveranciers. Wie krijgt welke vierkante meters en tegen welke voorwaarden? Ook hier een combinatie van conseignment en VMI.

Het is een spel van geven en nemen tussen de betreffende retailer en de merken, op zoek naar nieuwe evenwichten in de keten. De vierkante meters worden nu verdeeld. Maar er zijn wel voorwaarden aan verbonden. Eén van die voorwaarden is ketensamenwerking. EDI en gestandaardiseerde EAN-codes zijn daarbij een randvoorwaarde. Pre priced aanlevering per filiaal is een groot voordeel en leidt tot meer snelheid en een hogere efficiency. GS1 Opinie publiceerde afgelopen week een artikel met een soortgelijke trend onder de kop: 'Modesector omarmt verticale model'.

Merken die dit spel al eerder gespeeld hebben (bij Maison de Bonneterie, V&D, Breuninger of de Bijenkorf bijvoorbeeld) hebben een voorsprong. Merken die nog geen EDI hebben ingevoerd realiseren zich niet altijd dat de orders die inmiddels geschreven zijn, via EDI in het systeem van de retailer terecht dienen te komen. Voor de heropening van deze winkels in februari 2013, worden de merken geacht de goederen via EDI aan te melden. Vanaf dan worden de leveranciers per EAN-code via EDI geïnformeerd over de verkopen (aantallen en gerealiseerde opbrengsten) en de voorraden. Zonder EDI is de informatie niet tijdig en/of niet gestructureerd bij de business partner en kan het spel niet effectief gespeeld worden.

Al met al mooi om te zien dat retailers juist in deze roerige tijden innovatief bezig zijn en durven te investeren in een nieuwe winkelconcepten. Het is aan de consument en aan de merken hoe hierop te reageren. Merken verliezen al geruime tijd vierkante meters doordat er steeds meer multibrand retailers wegvallen. Wat hier gebeurt is tegendraads; hier ontstaan juist duizenden nieuw te vergeven vierkante meters. Laat deze kansen niet aan je voorbij gaan als merk en zorg er derhalve voor dat je de randvoorwaarden tijdig in kan vullen.

PS 1: Mijn vorige blogs gaan over Conseignment en VMI in fashion.
PS 2: FashionUnited Indicia BV faciliteert EDI verkeer met elk van de genoemde retailers.

maandag 15 oktober 2012

Micro Fashion: 'Consignment is een businessmodel dat in deze crisistijd goed werkt'.

Wijlen ZKH Prins Claus heeft de stropdas op 9 december 1998 tijdens een toespraak vergeleken met een slang die om de hals gedraaid is, waarna hij zijn eigen das losmaakte en op de grond gooide.
Dit was de aanleiding voor de grootste stropdassenfabrikant van Europa om haar business eens kritisch onder de loep te nemen en een innovatief veranderingsproces in gang te zetten. Vandaag de dag is Micro Fashion uit Rotterdam nog steeds een marktleider. Niet alleen op het gebied van stropdassen, maar voor alle accessoires en inmiddels ook van overhemden en shirts voor mannen. Zowel onder de merknamen Profuomo en Michaelis, als private label en met corporate fashion.

Die verandering is niet vanzelf gekomen, aldus CEO Harry van der Zee: "Wij groeien ook nu nog omdat we denken in oplossingen voor onze klanten. Zo leveren wij onze goederen tegenwoordig steeds vaker in consignatie, ook wel conseignment genoemd. Dat wil zeggen dat de retailer ons pas betaalt als hij de goederen daadwerkelijk verkocht heeft. Dit heeft als voordeel dat we niet beperkt worden door het krimpende inkoopbudget van de retailers. Het grote voordeel voor de retailer deze beduidend minder hoeft te investeren in voorraden. De voorraden staan bij hem niet op de balans; dat maakt het retailen minder risicovol. En het is goed voor ons want we delen de omzet, tegen een betere marge dan voorheen. Verder bieden we de retailer een gegarandeerde marge; of de producten nu tegen de volle prijs worden verkocht of in de uitverkoop."
Daar moet wel wat tegenover staan. "Daarvoor willen we bijvoorbeeld exclusiviteit", aldus de CEO van Micro Fashion. "Bij verschillende grote department stores in binnen- en buitenland, verzorgen wij nu alle herenaccessoires waardoor we een significantie omzetgroei hebben gerealiseerd. We verkopen mode maar we lossen ook een business probleem op. Namelijk de mogelijkheid om met een lager werkkapitaal een hogere omzet te realiseren. Het is een business model dat in deze tijd goed werkt. Een mooie manier om samen te groeien."

Micro Fashion heeft bewust een 'major change' ondergaan van voorheen producten schuiven naar nu meedenken en meedoen met de retailer op zijn winkelvloer. Naast een monobrandshop op de hoek van de PC Hooftstraat in Amsterdam en een aan de Meent in Rotterdam beheert Micro Fashion nu ook actief de winkelvloeren bij veel van de bekende department stores door geheel Europa.

De afnemers die de producten in consignatie hebben, geven aan Micro op hoeveel er nog liggen en welke artikelen verkocht zijn tegen welke prijs. Op basis van die gegevens vindt de financiële verrekening tussen Micro en de retailers plaats. Harry van der Zee: "Wij willen zeker weten dat zo een getal klopt. Dat een bedrijf niet zegt dat er 100 zijn verkocht terwijl het er 150 zijn."

Om de risico's en het beheer van de consignatievoorraden op afstand te kunnen managen stelt Micro Fashion als randvoorwaarde dat zo een klant is aangesloten op Micro's IT-systeem middels Electronic Data Interchange, afgekort als EDI. IT manager Guido Verhagen: "Als we goederen sturen, wordt de productdata met barcode- en prijsinformatie vooraf aangeleverd en gaat er een digitale pakbon mee. De goederen worden bij de retailer automatisch digitaal ingeboekt. Vervolgens zien we wat er via de kassa van die retailers wordt verkocht. Dus je weet wat er zou moeten liggen. Is er een verschil, dan zou dat kunnen duiden op derving. Dat cijfer kun je vergelijken met cijfers uit de branche, zodat je kunt zien of het dervingspercentage normaal is of dat er iets bijzonders aan de hand is. En is het tijd om te inventariseren, dan gaan we letterlijk tellen. We hebben een extern bureau met medewerkers die op locatie de voorraden tellen en controleren of de handel er ter plekke goed bij ligt."

EDI is een cruciale randvoorwaarde om ook een business model als consignment te kunnen managen. Micro Fashion heeft het gehele EDI verkeer in eigen hand genomen middels de inzet van de eBiss software, welk door FashionUnited Indicia geleverd en geïmplementeerd is. De connectie met de retailers verloopt over het eGate netwerk van de firma Pranke uit Duitsland. Micro Fashion kan zodoende elke uitdaging tot data integratie met om het even welke retailklant in binnen- of buitenland, met een gerust hart aangaan.

Bovenstaande quoten komen uit het BTB Magazine (zomer 2012) dat ik vorige week in handen kreeg toen ik voor de CEO van Deventrade (Hummel, Derbystar, Reece, Stanno) een referentiebezoek had georganiseerd bij Harry van der Zee en Guido Verhagen van Micro. Interessant zo een meeting en erg leuk om te zien hoe bedrijven met visie tot een kruisbestuiving kunnen komen. Dat geeft mij een kick en extra energie om nog vele partijen in de modische branches verder vooruit te willen helpen. Harry en Guido: bedankt!

dinsdag 2 oktober 2012

De cirkel is rond: EDI is noodzaak = proven!

Dat EDI in fashion (kleding, schoenen, sport) noodzaak is wisten we al langer. Toch is het mooi om het bewijs nu ook onomstotelijk op tafel te hebben liggen.

In 2004 verscheen de leaflet 'De 11 winstpunten van EDI in fashion'. Die leaflet heb ik destijds opgesteld naar aanleiding van de persoonlijke lessen en wijsheden van wijlen Harald Pranke, goeroe van EDI in de Duitse fashionmarkt. Hoewel in 2011 nog in een frisser jasje gestoken, zijn diezelfde 11 winstpunten nog steeds van toepassing. De eerste 8 winstpunten gaan over de concrete en aanzienlijke mogelijkheden voor efficiencyverbetering bij met name de multibrand retailer. Keiharde kostenbesparing dus.
De winstpunten 9, 10 en 11 gaan over een betere beschikbaarheid van producten op de winkelvloer en nieuwe vormen van samenwerking tussen brandowner en multibrand retailer.

De noodzaak tot adoptie van die nieuwe businessmodellen heeft FashionUnited Indicia BV samen met FCTB BV vastgelegd in de white paper 'Change in Fashion' (oktober 2010). Als vernieuwende business modellen worden daarin onderscheiden: VMI (vendor managed inventory), concession en consignment (consignatie new style). Zonder EDI kunnen deze business modellen niet goed functioneren. Maar ook het gedrag van de mens binnen de organisatie van de brandowner en de retailer is van groot belang om deze andere manier van werken daadwerkelijk mogelijk te maken. Ketensamenwerking is niet makkelijk, maar verdient veel meer aandacht op management niveau.

In mei 2012 komt de Aberdeen Group uit de de VS met het rapport 'B2B Collaboration: No Longer Optional'. Een rapport waarin aangetoond wordt dat ketensamenwerking keihard noodzaak is en top prioriteit verdient van het management van elke organisatie. De druk hiertoe is veroorzaakt door de steeds complexer wordende executie van de operatie in combinatie met de groeiende service eisen van de afnemer.

In juni 2012 publiceerde het blad BTB Magazine een interview met de CEO Micro Fashion, waarin uiteengezet wordt dat 'consignatie new style' juist een business model is waarmee ook in deze moeilijke tijd nog groei gerealiseerd kan worden. En dat in een krimpende markt. EDI wordt ook weer hier neergezet als een absolute randvoorwaarde.

De cirkel werd deze zomer sluitend gemaakt door het artikel 'Meer ketensamenwerking nodig in moderetail' door het bureau IG&H. Gepubliceerd in onder meer Retail Trends en De Telegraaf.

De moderetail heeft te maken met een krimpende markt. Hoewel de consument de vingers op de knip houdt, is er nog genoeg omzetpotentieel. Om dat aan te boren is nog meer samenwerking in de keten nodig, aldus IG&H in dit 4 pagina grote artikel. Het onderzoek van IG&H laat zien dat meer samenwerking in de keten zich onmiddellijk doorvertaalt naar euro’s. Moderetailers hebben het niet makkelijk. Waar de modebranche in 2009 en 2010 nog goed was voor een ruime vijftien miljard euro, daalde de omzet in 2011 met meer dan zes procent. Een verlies dat, met het oog op de huidige economie en kritische consument, nog niet goed gemaakt lijkt te worden in 2012 of de nabije toekomst. Brands en retailers moeten ‘zwemmen’ om het hoofd boven water te houden. Het onderzoek ‘Fashion Mirror’ van IG&H toonde aan dat de grootste kansen niet in allerlei complexe strategieaanpassingen liggen, maar verrassend dichtbij. Het beter samenwerken in de eigen waardeketen biedt enorm extra omzetpotentieel voor de partijen die deze kansen zullen grijpen.

EDI wordt gelukkig al door vele merken ondersteund. O'Neill, Garcia, Dobotex met sokken van Puma en Tommy Hilfiger, Micro Fashion met o.a. Profuomo en Crystal Trading met Sinner zijn de mooiste voorbeelden van Nederlandse leveranciers die het nieuwe samenwerken in hun praktijk al vergaand hebben doorgevoerd. Ook leveren zij hun producten 100% shop-floor-ready uit(pre-priced). Niet voor niets allen EDI klanten van FashionUnited Indicia van het eerste uur. EDI is namelijk een keiharde randvoorwaarde om genoemde kansen te kunnen benutten maar die wetenschap is bij menigeen nog niet goed doorgedrongen. De Nederlandse fashion branche loopt wat dit betreft nog ver achter bij onze oosterburen.